Rob en Sandra wonen sinds twee jaar samen met hun vier kinderen, waarvan twee pubers.
Sandra: “Ik voel me net een indringer. Als Robs dochter Robin (16) haar was naast de mand gooit en ik er wat van zeg, reageert ze fel: ‘Jij bent mijn moeder niet.’ Daarna is het hommeles.”
Rob: “Ik zit ertussen. Als ik mijn dochter aanspreek, zegt ze dat ik Sandra belangrijker vind dan haar. Als ik het niet doe, voelt Sandra zich genegeerd. We hebben vaak ruzie over kleine dingen.”
De irritaties over de was waren slechts het topje van de ijsberg. Onder de ruzies lagen gevoelens van afwijzing, onzekerheid en loyaliteitsconflicten.
Wat er veranderde:
- Ze ontdekten dat de ruzies niet over de was gingen, maar over hun behoefte aan erkenning.
- Rob nam de verantwoordelijkheid om zijn dochter aan te spreken.
- Sandra hoefde daardoor niet in de rol van “strenge stiefouder”.
- In de gesprekken met mij leerden ze loslaten en accepteren.
Sandra: “We praten nu meer met elkaar in plaats van over elkaar. Er is weer lucht.”